Geschiedenis Stadsschouwburg
Een ‘Schenking’
Het Haarlemse theaterleven kent een boeiende geschiedenis. Een lange stoet mommerijen, wagenspelen, esbattementen (=kluchten) en rederijkersspelen vormden in de Spaarnestad de voorlopers van het tegenwoordige theateraanbod. De oudste bronnen over optredens van potsenmakers, minnestrelen en ghesellen met een spel of speelkyn stammen al uit 1312. Ook de toenmalige scholieren worden daarin al genoemd: uit de Middeleeuwen stamt een vermelding over ‘den scolieren van Haerlem, die met horen coninc (=hun leider) voer minen here (=graaf) quamen bidden (=gelukwensen)’. Het is daarom niet verwonderlijk dat vele schouwburgen de huidige zijn voorgegaan. De laatsten daarvan stonden op de Jansweg en de Grote Markt. Toen deze begin vorige eeuw te klein werden bevonden en wegens brandgevaar gesloten, moest door de gemeente een oplossing gevonden worden. Die kwam op onverwachte wijze en van onbekende oorsprong: op 6 mei 1914 ontving zij een brief (zie bijgesloten), waarin een anonymus 250.000 gulden aanbood ‘om daarvoor te doen bouwen een nieuwen schouwburg’.
Met veel vreugde werd deze schenking door de gemeenteraad ontvangen, de pers echter stemde deze zaak tot bitterheid: zo’n bedrag kon wel beter besteed worden, waar in deze stad zovele schrikkelijk noden zijn te lenigen. Ook toen al begeleidden vele twisten de bouw van culturele instellingen. Het zou dan ook nog tot na de Eerste Wereldoorlog duren voor op 30 september 1918 de Stadsschouwburg aan het Wilsonsplein geopend kon worden.
De schenker bleef nog lange tijd anoniem. Pas in 1964, een halve eeuw na zijn opmerkelijk aanbod, werd zijn naam bekend gemaakt. Het was, de reeds in 1916 overleden, Jan Krol; een aktief gemeenteraadslid met een grote sociale en artistieke bewogenheid. Tot de dag van vandaag is de Stadsschouwburg een aandenken aan zijn originele gift.


2 mei 1919.
Hoogwelgeb. Heer Jhr. Mr. W.B. Sandberg,
Burgemeester van de gemeente Haarlem
Mijnheer de Burgemeester,
Ik de eer u te berichten, dat ik ter beschikking van de gemeente stel, om daarvoor te doen bouwen een nieuwen schouwburg, overeenkomstig de hierbij gaande ontwerpen, opgemaakt door den bouwkundigen ingenieur J.A.G. van der Steur, een bedrag van ¦ 250.000,- (zegge twee honderd en vijftig duizend gulden).
Ik wensch daaraan te verbinden de navolgende voorwaarden:
1 door de gemeente Haarlem wordt voor den bouw van den schouwburg beschikbaar gesteld het westelijk gedeelte van het Wilsonsplein;
2 de gemeente Haarlem neemt, voor zooveel noodig, voor hare rekening het meubilair en de noodige toneelbenoodigdheden;
3 in den schouwburg worden ten allen tijde ter beschikking gesteld: van den Commissaris der Koningin in de provincie Noord-Holland ééne loge.
Het zoude mij aangenaam zijn, indien door U kon worden bevorder, dat door den Gemeenteraad omtrent deze schenking eene beslissing wordt genomen vóór 1 Juli a.s. en is het zijn ernstig verlangen, dat nadeze beslissing alles in het werk zal worden gesteld, om het gebouw zoo spoedig mogelijk te doen verrijzen.
Aangezien het mijn oprechte wensch is, onbekend te blijven, doe ik een beroep op Uwe welwillende medewerking en die van den Raad, ten einde te verhinderen, dat naar mij naspeuringen worden gedaan.
Ik heb de eer te zijn, Mijn de Burgemeester,
Uw Hoogwelgeboren’s
DwD.
